Struikelstenen in Deventer

Naast de bekende nazi-kampen Westerbork, Vught en Amersfoort bestonden in de 2e Wereldoorlog ook andere kampen.
Ruim 40 zogenaamde werkkampen, ook wel Jodenkampen genoemd, werden door de Duitsers ingesteld. Al deze werkkampen waren in dunbevolkte gebieden als Hummelo, Lievelde, Diever, Orvelte enz., zodat de bevolking er weinig weet van kon hebben.
Voor de oorlog waren dit zogenaamde "werkverruimingskampen". In deze kampen verbleven werkloze Nederlanders, die in de crisistijd werkverschaffend werk verrichtten, zoals ontginning gronden, kappen van bomen enz.  
In de oorlog werden deze werkkampen door de bezetter ingezet om joodse mannen te plaatsen en te laten werken.
Eén van de Nazi-maatregelen was om de joodse mannen uit het economisch leven te weren; veel joodse mannen kregen ontslag, joodse bedrijven en winkels werden geliquideerd. De hierdoor werkloos geworden joodse mannen moesten door de Gewestelijke Arbeidsbureaus (onder dwang van de Nazi's) gekeurd worden. Veel Nederlandse keuringsartsen zorgden er voor dat veel joodse mannen afgekeurd of gedeeltelijk ongeschikt werden verklaard om te werken.
Ingevolge maatregelen van de bezetter volgde dan een herkeuring door een Duitse of NSB arts en alle joodse mannen werden dan prompt goedgekeurd.

Vanaf begin 1942 worden alle ruim 40 kampen bevolkt door joodse dwangarbeider uit geheel Nederland. In eerste instantie stonden de werkkampen nog onder Nederlandse leiding van de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Deze dienst kan bij de gemeente voor elke gehuistveste joodse persoon per dag 1 gulden declaren. De bureaucratie blijft dus gewoon in stand. Na korte tijd werd echter het regiem in de werkkampen gewijzigd. De Nederlandse leiders werden vervangen door zogenaamde kampbewaarders die een grimmig regiem uitvoerden, waardoor het voor de joodse mannen steeds zwaarder werd.
Het eten werd kariger, het werk werd zwaarder en het postverkeer kwam onder controle te staan.

Het uiteindelijk plan van de Nazi's was om alle joodse mannen, die in de werkkampen zaten in één keer over te brengen naar Westerbork met verdere bestemming richting de concentratiekampen. De gezinsleden werd gevraagd zich bij de joodse mannen te melden, zodat allen zich in Westerbork konden herenigen. In de nacht van 2 en 3 oktober 1942 (tijdens Jom Kippoer, de belangrijkste dag van het joodse jaar)  werden alle joodse dwangarbeiders uit de werkkampen geporteerd naar Westerbork. Tegelijkertijd werden gezinsleden vrijwillig of via razzia's overgebracht naar Westerbork. Omstreeks 10.000 joodse personen kwamen ineens aan in Westerbork, waardoor Westerbork compleet overbevolkt raakte. Vanaf die tijd reden er extra treinen naar het concentratiekamp Auschwitz.  

Willem Duim wagonleider2Op 20 april 1943 vertrok een trein vanuit Westerbork naar Sobibor.
In deze trein met 32 wagons werden 1166 joodse mensen naar Sobibor vervoerd, gemiddeld 35 mensen per wagon.
In deze trein zaten ook 11 joodse patiënten van Brinkgreven, die op 13 april 1943 op Brinkgreven werden opgehaald. Willem Duim, één van de elf patiënten, was volgens de transportlijst hiernaast "wagonleider" van wagon 8.

Per transport werd er een organisatie op touw gezet die alles in goede banen moest leiden. Iedere trein had een leider en een plaatsvervangend leider. Voor iedere wagon werd er een leider aangesteld en een Sanitäter (een hospitaalsoldaat).
De treinleider zit in wagon 24. Een afgesloten veewagon en dan de leiding over de hele trein hebben. Het slaat natuurlijk totaal nergens op.
Op deze manier leek het alsof de organisatie van de reis in goede handen was en de verzorging van de passagiers in orde. Immers het voorgespiegelde doel was tewerkstelling in het door Duitsland bezette Polen. Voor sommige transporten met veel kinderen werden er zelfs kinderverzorgsters aangesteld.

Zodra de trein was vertrokken, bleek dat niemand in de wagons over de middelen of de ruimte beschikte om zich te kunnen bekommeren om andermans welzijn.
Alle 1166 personen werden 23 april in Sobibir bij aankomst direkt vermoord.

Bron: De deportaties uit Nederland 1940-1945, Portretten uit de archieven.
Schrijvers: Guus Luijters, Raymond Schütz en Marten Jongman.
Foto: Oorlogsarchief Nederlandse Rode Kruis.

door Ita van Dijk, werkgroeplid

Dolf Winter met Alexander Maria en MordegaiVoor de plaatsing van de struikelstenen zoeken we naar nabestaanden, wanneer die niet bij ons bekend zijn. Maar het lukt niet altijd om die te vinden.
En dan begint het te kriebelen. Dat kan niet, mensen zonder nabestaanden, zonder ook maar íemand die met ze verbonden is, zonder dat ergens ook maar een snipper meer bekend is dan hun naam en geboortedatum.

Roos Winter MendelsIneens was er een heel gezin met zes kinderen waarvan geen nabestaanden te vinden waren. Het was de familie Winter aan de Sijzenbaan, waar we in 2017 8 struikelstenen voor gingen leggen. Weinig informatie over hen en geen enkele foto en gezicht. Nu, ruim een jaar nadat de stenen geplaatst zijn, blijken ze er toch te zijn. Een achternicht aan vaders kant en een nichtje van moeders kant hebben we opgespoord. En via hen nog meer familie. Langzaam maar zeker ontvouwt het leven van de familie Winter zich alsnog. Het eerste wat ik hoorde was dat ze zo gelukkig waren met elkaar. Ik kreeg meteen het beeld van een warm gezin.

En daarna volgden deze foto's. De enige die er nog zijn van Roos Winter - Mendels en van haar man Dolf Winter met hun drie oudste kinderen (Alexander, Mordegai en Maria). De foto met de kinderen zal rond 1934/35 gemaakt zijn.